Klacht NVL afgewezen

Op 11 juli 2018 werd het door mij gefokte nest Langharen geboren. Als dekreu had ik (met toestemming van mijn rasvereniging) gekozen voor Hannes von Kiekenbruch.

Op 6 april 2019 werd door de Algemene Vergadering van de Nederlandse Vereniging ‘LANGHAAR’ (NVL) een motie aangenomen waarin het bestuur werd opgedragen een klacht bij de Raad van Beheer (RvB) in te dienen tegen zowel de eigenaar van Hannes als mij vanwege het gebruik van Hannes. In de klacht beschuldigde de NVL ons van het plegen van diverse strafbare feiten. De klacht werd al snel afgewezen door de RvB.

De RvB besloot dat de beschuldigingen van de NVL niet van toepassing waren en dus niet konden worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.

Tegen dit besluit tekende de NVL bezwaar aan waarop de RvB de klacht alsnog -voor een deel- ter beoordeling voorlegde aan het Tuchtcollege.

Het eindoordeel van het Tuchtcollege was duidelijk: Beide fokkers niet strafbaar omdat hetgeen hen verweten wordt niet strafbaar is.

Deze kwestie heeft mij veel pijn gedaan. De beschuldigingen heb ik als kwetsend en onrechtvaardig ervaren. Ik ben dan ook blij met de uitkomst van deze procedure en sluit deze nare periode graag af om mét mijn rasvereniging en de liefhebbers van ons ras verder te kunnen gaan met hetgeen ons bindt: Het fokken van, werken met en genieten van mooie, gezonde en talentvolle Langharen.

Wat mij betreft is de kwestie dus afgedaan. Voor degenen die desondanks geïnteresseerd zijn in de feiten zet ik hieronder de informatie, zónder ‘kleuring’ mijnerzijds, op mijn site.

Uiteraard respecteer ik ieders privacy. Ik volsta dus met het vermelden van de beschuldigingen van de NVL en het oordeel daarover van RvB/Tuchtcollege. Ter wille van de volledigheid vindt u hieronder tevens het besluit van de RvB en de beslissing van het Tuchtcollege.
Door hieronder op het onderwerp te klikken ziet u de relevante tekst uit het afwijzingsbesluit van de RvB en de schriftelijke beslissing van het Tuchtcollege. (Waar nodig geanonimiseerd.)

Overtreden/omzeilen Duits Fokverbod/Zuchtsperre:
Raad van Beheer: Het fokverbod uit artikel 2.3 van het FCI International Breeding Strategies (met extreem angstige honden mag niet worden gefokt) is niet van toepassing op Nederlandse fokkers. Voor Nederlandse fokkers geldt het Kynologisch Reglement. Op basis van de FCI regel kan de zaak niet worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.

Tuchtcollege: In het Kynologisch Reglement is geen bepaling opgenomen die het fokken met honden die een buitenlands fokverbod opgelegd hebben gekregen, verbiedt.
Indien de Raad van oordeel zou zijn geweest dat het, op grond van het Kynologisch Reglement, strafbaar zou moeten zijn om te fokken met honden die op grond van buitenlandse regels zijn uitgesloten van de fokkerij, had zij daartoe specifieke bepaling kunnen opnemen in het Kynologisch Reglement.
Geconstateerd kan worden dat de Raad dit niet heeft gedaan.
Indien de Raad thans van oordeel is dat zulks verboden moet worden, is zij gehouden het Kynologisch Reglement in dier voege aan te passen. Op grond van het legaliteitsbeginsel kan daaraan echter geen terugwerkende kracht worden toegekend.

Gebruik schijnconstructie om Duits fokverbod te omzeilen:
Tuchtcollege: In het Kynologisch Reglement is geen definitie opgenomen van een schijnconstructie en overigens ook geen bepaling die het toepassen van een dergelijke constructie verbiedt en strafbaar stelt.
(XX) is geen eigenaar van Hannes. De dek-aangifte bevatte onjuiste gegevens:
Tuchtcollege: Volgens het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging ‘Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland’, art. 2 lid 1 onder c is een eigenaar: “ieder die in de Nederlandse stamboekhouding of, indien de hond nog niet in de Nederlandse stamboekhouding is opgenomen, in een door de F.C.I. erkende buitenlandse stamboekhouding, als Eigenaar geregistreerd staat. De Eigenaar is de enige die met betrekking tot de betreffende hond rechten kan ontlenen aan dit reglement.”

(XX) staat in de Nederlandse stamboekhouding geregistreerd als eigenaar van de hond Hannes vom Kiekenbruch.

De dekking heeft in Duitsland plaats gevonden:
Tuchtcollege: Juridisch gezien valt in het Nederlands recht een hond onder de omschrijving van ‘een goed’ (boek 3 BW). De bezitter van een goed kan daar vrij over beschikken. Kan dus ook bepalen dat een goed in het buitenland verblijft.

Zowel in het Nederlands recht als in de kynologische regelgeving is geen bepaling opgenomen waaruit blijkt dat een in eigendom toebehorende hond ook bij de eigenaar in hetzelfde land moet verblijven.

Hannes heeft een ernstige aandoening zoals bedoeld in het Kynologisch Reglement:
Raad van Beheer: Ingevolge artikel VI.23D, eerste lid KR is het verboden om te fokken met honden die aantoonbaar lijden aan één of meer aandoeningen die de gezondheid en het welzijn van de hond of zijn nakomelingen ernstig in gevaar kan brengen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat aandoeningen in het VFR verwoord moeten worden. Opgenomen in het VFR is dat ouderdieren waarbij, tijdens enigerlei door de vereniging, Raad van Beheer of KNJV erkend evenement, vastgesteld is dat zij bovenmatig agressief, dominant of angstig gedrag vertonen kunnen worden uitgesloten van de fokkerij. Van bovenstaande is geen sprake waardoor op grond van dit artikel de zaak niet kan worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
Fokkers hebben FCI regels overtreden:
Raad van Beheer: Het fokverbod uit artikel 2.3 van het FCI International Breeding Strategies (met extreem angstige honden mag niet worden gefokt) is niet van toepassing op Nederlandse fokkers. Voor Nederlandse fokkers geldt het Kynologisch Reglement. Op basis van de FCI regel kan de zaak niet worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.

Tuchtcollege: In de ‘International breeding rules of the FCI’ is in de preambule, onder 1, 3e bolletje opgenomen dat met honden ‘with eliminating faults such as unsound temperament’ niet mag worden gefokt. Hannes vom Kiekenbruch heeft in Duitsland een fokverbod opgelegd gekregen wegens angstigheid.

Eveneens opgenomen in deze FCI regels is de verplichting voor aangesloten landen en partijen hun eigen regelgeving op te stellen gebaseerd op deze ‘International breeding rules of the FCI’. De FCI regels zijn dus bindend, ook voor de Raad van Beheer.
De FCI regels bepalen verder nog: de rechten en plichten van dekreu- en teef-eigenaren zijn geregeld in nationale regels van de nationale kennelclubs, rasverenigingen en private overeenkomsten. Als dergelijke regels of overeenkomsten niet bestaan, gelden de FCI regels.

In Nederland zijn, zowel in het Kynologisch Reglement als in de diverse Verenigings Fokreglementen, eisen gesteld aan het fokken met honden.
Niet is opgenomen een bepaling die het fokken met honden, die een buitenlands fokverbod opgelegd hebben gekregen, verbiedt.

Volgens bestaande jurisprudentie kunnen justitiabelen op grond van de directe werking rechten ontlenen aan overkoepelende – Europese- regelgeving. Naar eveneens bestaande jurisprudentie is het omgekeerde echter niet mogelijk. Als een orgaan zélf nalaat bepaalde regelgeving te implementeren, kan het vervolgens geen beroep doen op de directe werking van overkoepelende regels.

De RvB had pups geen stamboom mogen geven wegens diskwalificatie Hannes:
Raad van Beheer: Artikel 4.b Reglement gedragscode exterieurkeurmeester sluit angstige honden uit tijdens de keuring. Daarvan is hier geen sprake en kunnen wij op grond van dit artikel de zaak niet voorleggen aan het Tuchtcollege.
Artikel VI.30 KR heeft betrekking op gediskwalificeerde honden. Van diskwalificatie is geen sprake waardoor op grond van dit artikel de zaak niet kan worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
Er is een strafbare feit uit het KR in het buitenland gepleegd:
Raad van Beheer: Artikel VI.3 KR bepaalt dat als een strafbaar feit zoals omschreven in Titel 2 buiten Nederland is begaan en het betreffende handelen of nalaten ook strafbaar is in het land waar het strafbare feit is begaan, wordt het feit voor toepassing van dit hoofdstuk geacht in Nederland te zijn begaan.
In Titel 2 is fokken met een angstige hond niet uitgesloten. Van bovenstaande is geen sprake waardoor op grond hiervan de zaak niet kan worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
Artikel 4.b Reglement gedragscode exterieurkeurmeester sluit angstige honden uit tijdens de keuring. Daarvan is hier geen sprake en kunnen wij op grond van dit artikel de zaak niet voorleggen aan het Tuchtcollege.
Besluit Raad van Beheer d.d. 4 juli 2019:
Op 6 juni 2019 hebben wij u in kennis gesteld over de klacht die door de Nederlandse Vereniging Langhaar tegen u is ingesteld. De NVL beticht u van het gebruiken van een schijnconstructie om de teef Silke v.d. Westkerkseberg (NHSB 2999866) te laten dekken door Hannes vom Kiekenbruch (NHSB 3092313). Tevens is u meegedeeld dat de klacht zou worden doorgestuurd naar het bestuur ter beoordeling. Het bestuur beslist uiteindelijk of de klacht daadwerkelijk wordt doorgestuurd naar het Tuchtcollege. Het bestuur heeft inmiddels haar besluit genomen en besloten om de klacht niet door te sturen naar het Tuchtcollege. Het bestuur baseert haar besluit om het hiernavolgende:
* Het fokverbod uit artikel 2.3 van het FCI International Breeding Strategies (met extreem angstige honden mag niet worden gefokt) is niet van toepassing op Nederlandse fokkers. Voor Nederlandse fokkers geldt het Kynologisch Reglement. Op basis van de FCI regel kan de zaak niet worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
* Ingevolge artikel VI.23D, eerste lid KR is het verboden om te fokken met honden die aantoonbaar lijden aan één of meer aandoeningen die de gezondheid en het welzijn van de hond of zijn nakomelingen ernstig in gevaar kan brengen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat aandoeningen in het VFR verwoord moeten worden. Opgenomen in het VFR is dat ouderdieren waarbij, tijdens enigerlei door de vereniging, Raad van Beheer of KNJV erkend evenement, vastgesteld is dat zij bovenmatig agressief, dominant of angstig gedrag vertonen kunnen worden uitgesloten van de fokkerij. Van bovenstaande is geen sprake waardoor op grond van dit artikel de zaak niet kan worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
* Artikel VI.3 KR bepaalt dat als een strafbaar feit zoals omschreven in Titel 2 buiten Nederland is begaan en het betreffende handelen of nalaten ook strafbaar is in het land waar het strafbare feit is begaan, wordt het feit voor toepassing van dit hoofdstuk geacht in Nederland te zijn begaan. In Titel 2 is fokken met een angstige hond niet uitgesloten. Van bovenstaande is geen sprake waardoor op grond hiervan de zaak niet kan worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
* Artikel 4.b Reglement gedragscode exterieurkeurmeester sluit angstige honden uit tijdens de keuring. Daarvan is hier geen sprake en kunnen wij op grond van dit artikel de zaak niet voorleggen aan het Tuchtcollege.
* Artikel IV.2 KR heeft betrekking op exposities. Hiervan is geen sprake en kan betreffende zaak niet worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
* Artikel VI.30 KR heeft betrekking op gediskwalificeerde honden. Van diskwalificatie is geen sprake waardoor op grond van dit artikel de zaak niet kan worden voorgelegd aan het Tuchtcollege.
Bovenstaand (gemotiveerde) besluit is ook naar de NVL gestuurd. Voor de goede orde delen wij u mee dat tegen dit besluit bezwaar kan worden ingediend. Binnen vier weken na het verzenden van het bestreden besluit kan bezwaar worden ingediend bij de Raad van Beheer onder vermelding van de bezwaren die tegen het besluit bestaan.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet,
mevr. mr. ….. | Juridisch medewerker
Uitspraak Tuchtcollege:
TUCHTCOLLEGE VOOR DE KYNOLOGIE
UITSPRAAK van het Tuchtcollege in de zaak tegen
A. wonende te B.
Zaaknummer: 19-063
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2019.
De beklaagde is A. is ter zitting verschenen. Ter zitting wordt zij bijgestaan door de gemachtigde dhr. C.
Namens de klaagster, de Nederlandse Vereniging Langhaar, verder te noemde de
vereniging, zijn ter zitting verschenen de heren D., voorzitter en E., vicevoorzitter.
Namens de vereniging zijn twee getuigen mee ter zitting verschenen, F. en G.
De vereniging Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, gevestigd te 1075 AV Amsterdam, Emmalaan 16-18, ter zitting vertegenwoordigd door haar hoofd juridische zaken mevrouw mr. I., heeft gevorderd dat het Tuchtcollege de zaak in behandeling zal nemen.
HET VERWETEN GEDRAG
De beklaagde A. wordt verweten dat zij op of omstreeks 10 mei 2018 bij de
krachtens het Kynologisch Reglement geregelde procedure voor het aanvragen van
stambomen voor en inschrijven in het Nederlands Hondenstamboek van pups onjuiste
gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft verzwegen, door bij de dekaangifte van de combinatie J. (NHSB xxxxxxx I ZBDL xxx/xx) X K. (NHSB yyyyyyy) zichzelf de heer L. als dekreu-eigenaar op te geven, terwijl de reu in werkelijkheid in Duitsland verbleef. Vanwege een in Duitsland opgelegd fokverbod is gebruik gemaakt van een schijnconstructie door de reu wel in het NHSB te laten inschrijven, maar de reu in Duitsland te laten. Bij de eigenaar in Duitsland, M., heeft de dekking ook plaatsgevonden.
Artikel VI 6 lid 1 Kynologisch Reglement
RECHTSMACHT
Het Tuchtcollege is bevoegd in deze zaak te oordelen omdat de beklaagden ten tijde van het haar verweten gedrag lid was van een vereniging, die is toegelaten tot het lidmaatschap van
Tuchtcollege voor de Kynologie, zaaknummer 19-063 Pagina 1 van 5
2
de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland. Op grond van de statuten van die vereniging is de beklaagde onderworpen aan de rechtsmacht van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland.
Het Tuchtcollege is tevens bevoegd in deze zaak te oordelen omdat aan de beklaagde door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, op haar verzoek het recht om een kennelnaam te voeren is verleend en zij ten tijde van het haar verweten gedrag die kennelnaam nog voerde op grond waarvan zij is onderworpen aan de rechtsmacht van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland (Artikel III.46 van het Kynologisch Reglement).
ONTVANKELIJKHEID
Gelet op artikel Vl.2 lid 1 van het Kynologisch Reglement kan eenieder, die meent dat
iemand een strafbaar feit heeft begaan, schriftelijk een klacht bij de Raad indienen. Klagers zijn dan ook ontvankelijk.
BEWIJSMIDDELEN
• Klachtenformulier Tuchtcollege door de Nederlandse Vereniging “Langhaar” d.d. 21 mei 2019 met bijlagen.
• Aanvullend klaagschriftuur door de Nederlandse Vereniging “Langhaar” (d.d. 1 oktober
2019 met bijlagen.
• Pleitaantekeningen D., vz NVL, ter zitting van 19-12-2019 overgelegd.
• Getuigenverklaring F., d.d. 30-9-2019.
• Getuigenverklaring G., d.d. 1-10-2019.
• e-mail bericht van L. aan F.@xxxx.nl, d.d. 14-7-2017.
• e-mailberichten tussen L. en A., d.d. 30-5-2018.
• Eerste (gezamenlijke) reactie van L. (zaak nr. 19-062) en beklaagde A. d.d. 14-6-2019.
• Verklaring van beklaagde de A. d.d. 29-10-2019.
• e-mailbericht van gemachtigde C. d.d. 10-11-2019 met bijlagen.
• e-mailbericht van beklaagde de A. d.d. 24-11 2019.
• e-mailbericht van gemachtigde C. d.d 25-11-2019 met bijlagen.
• e-mailbericht van beklaagde A. d.d. 26-11-2019.
• e-mailbericht van gemachtigde C. d.d. 10-12-2019.
• e-mailbericht van gemachtigde C. d.d. 12-12-2019.
• e-mailbericht van gemachtigde C. d.d. 13-12-2019.
• e-mailbericht van gemachtigde C. d.d. 17-12-2019.
OVERWEGINGEN
Voorafgaand aan de toezending van onderhavige klacht door de Raad van Beheer aan het Tuchtcollege heeft een bezwaarschriftprocedure plaatsgevonden. De wijze waarop
uiteindelijk de klacht na deze procedure door de Raad is aangebracht bij het Tuchtcollege roept wel vragen op maar deze bevinden zich echter op het terrein van beginselen van behoorlijk bestuur en staan niet ter beoordeling aan het Tuchtcollege.
Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling deelt de voorzitter de beklaagde en gemachtigde mee, naar aanleiding van het verzoek diverse pup-kopers als direct
belanghebbende(n) in de procedure te betrekken dat het tuchtrecht deze figuur niet kent.
Tuchtcollege voor de Kynologie, zaaknummer 19-063 Pagina 2 van 5

Overigens Is het verzoek onvoldoende onderbouwd en is er door het Tuchtcollege nog geen besluit genomen welk besluit de belangen van deze pupkopers zou kunnen raken.
Uit het door de Raad van Beheer ingediende formulier ‘verweten gedrag’ met bijlagen, in samenhang met de overige bewijsmiddelen en hetgeen beklaagde en gemachtigde C. namens beklaagde ter zitting heeft aangevoerd, kan als vaststaand worden aangenomen dat met de reu J. (NHSB xxxxxxx) en de teef K. (NHSB yyyyyyy) een nest is gefokt waarvoor stambomen zijn aangevraagd. Op de dekaangifte staat L. als eigenaar van de dekreu vermeld en beklaagde heeft de dekaangifte ondertekend.
Tevens staat vast dat de genoemde dekreu een fokverbod in Duitsland opgelegd heeft gekregen.
Ook staat vast dat genoemde dekreu ten tijde van de paring op 10-5-2018 en ook nu nog, op naam van L. stond ingeschreven in het Nederlandse Hondenstamboek (NHSB).
De klacht ziet op het feit dat hier gebruik is gemaakt van een – ongeoorloofde –
schijnconstructie omdat de hond niet bij de eigenaar in Nederland maar in Duitsland verbleef en ook de dekking in Duitsland, bij de vorige eigenaar, heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van de definitie van eigenaar van een hond naar Nederlands recht.
Volgens het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging ‘Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland’, art. 2 lid 1 onder c is een eigenaar: ”ieder die in de Nederlandse stamboekhouding of, indien de hond nog niet in de Nederlandse stamboekhouding is opgenomen, in een door de F.C.I erkende buitenlandse stamboekhouding, als Eigenaar geregistreerd staat. De Eigenaar is de enige die met betrekking tot de betreffende hond rechten kan ontlenen aan dit reglement.”
Juridisch gezien valt in het Nederlands recht een hond onder de omschrijving van ‘een goed’ (boek 3 BW). De bezitter van een goed kan daar vrij over beschikken. Kan dus ook bepalen dat een goed in het buitenland verblijft.
Zowel in het Nederlands recht als in de kynologische regelgeving is geen bepaling opgenomen waaruit blijkt dat een in eigendom toebehorende hond ook bij de eigenaar in hetzelfde land moet verblijven.
L. staat in de Nederlandse stamboekhouding geregistreerd als eigenaar van de hond J.
Ten aanzien van de verhouding tussen FCI regels en het Kynologisch Reglement.
In de ‘International ‘breeding rules of the FCI’ is in de preambule, onder 1, 3e bolletje
opgenomen dat met honden ‘with eliminating faults such as unsound temperament’ niet mag worden gefokt. J. heeft in Duitsland een fokverbod opgelegd gekregen wegens angstigheid.
Eveneens opgenomen in deze FCI regels is de verplichting voor aangesloten landen en
partijen hun eigen regelgeving op te stellen, gebaseerd op deze ‘International breeding rules of the FCI’. De FCI regels zijn dus bindend, ook voor de Raad van Beheer.
De FCI regels bepalen verder nog: de rechten en plichten van dekreu- en teef-eigenaren zijn geregeld in nationale regels van de nationale kennelclubs, rasverenigingen en private
Tuchtcollege voor de Kynologie, zaaknummer 19-063 Pagina 3 van 5
-1
overeenkomsten Als dergelijke regels of overeenkomsten niet bestaan, gelden de FCI regels.
In Nederland zijn, zowel in het Kynologisch Reglement als in de diverse Verenigings Fokreglementen, eisen gesteld aan het fokken met honden.
Niet is opgenomen een bepaling die het fokken met honden, die een buitenlands fokverbod opgelegd hebben gekregen, verbiedt.
Volgens bestaande jurisprudentie kunnen justitiabelen op grond van directe werking rechten ontlenen aan overkoepelende – Europese – regelgeving. Naar eveneens bestaande jurisprudentie is het omgekeerde echter niet mogelijk. Als een orgaan zèlf nalaat bepaalde regelgeving te implementeren, kan het vervolgens geen beroep doen op de directe werking van overkoepelende regels.
Ten aanzien van het niet overnemen van een in Duitsland opgelegd fokverbod door de Raad van Beheer.
In het Kynologisch Reglement is geen bepaling opgenomen die het fokken met honden die een buitenlands fokverbod opgelegd hebben gekregen, verbiedt.
Indien de Raad van oordeel zou zijn geweest dat het, op grond van het Kynologisch Reglement, strafbaar zou moeten zijn om te fokken met honden die op grond van buitenlandse regels zijn uitgesloten van de fokkerij, had zij daartoe specifieke bepaling kunnen opnemen in het Kynologisch Reglement.
Geconstateerd kan worden dat de Raad dit niet heeft gedaan.
Indien de Raad thans van oordeel is dat zulks verboden moet worden, is zij gehouden het Kynologisch Reglement in dier voege aan te passen. Op grond van het legaliteitsbeginsel kan daaraan echter geen terugwerkende kracht worden toegekend.
Ten aanzien van de ‘schijnconstructie’.
In het Kynologisch Reglement is geen definitie opgenomen van een schijnconstructie en overigens ook geen bepaling die het toepassen van een dergelijke constructie verbiedt en
strafbaar stelt.
STANDPUNT VAN DE KLAGER
De vereniging verwijst naar het door haar ingediende klachtenformulier met bijlagen, alsmede de aanvullende klacht en de ingediende pleitaantekeningen.
STANDPUNT VAN DE BEKLAAGDE
Beklaagde houdt een pleidooi voor de dekreu en noemt het een tophond, hetgeen door de vereniging ter zitting niet wordt betwist. Gemachtigde geeft nog een korte toelichting op ‘eigenaarschap’ en verwijst verder naar de uitvoerige ingediende stukken.
STANDPUNT VAN DE RAAD VAN BEHEER
L. heeft de hond geïmporteerd om het fokverbod te omzeilen. De hond verbleef gedurende lange tijd in Duitsland, bij zijn vorige eigenaar. Het feit dat het begrip
Tuchtcollege voor de Kynologie, zaaknummer 19-063 Pagina 4 van 5
schijnconstructie niet in het KR is opgenomen, maakt nog niet dat ar geen sprake is van
overtreding van artikel VI.6. KR. Dhr. L. heeft de hond alleen kunnen overschrijven – op papier –
vanwege het fokverbod, met de bedoeling de reu in te zetten voor de fokkerij
ondanks het fokverbod. Het is binnen de kynologie niet ongebruikelijk dat een hond bij een derde
verblijft. Dat wordt een punt van discussie als de hond feitelijk alleen op papier van eigenaar
wisselt om onder een fokverbod uit te komen. Beklaagde was op de hoogte van het feit dat de hond
in Duitsland een fokverbod had opgelegd gekregen.
De zitting van het Tuchtcollege wordt kortdurend geschorst teneinde de klager in de
gelegenheid te stellen met de Raad te overleggen.
Van het horen van de getuigen werd zowel door partijen als het Tuchtcollege afgezien.
CONCLUSIE
Het Tuchtcollege acht bewezen dat de beklaagde het haar verweten feit heeft gepleegd
maar acht de beklaagde daarvoor niet strafbaar omdat het verweten feit niet strafbaar is.
BESLISSING
Het Tuchtcollege besluit tot:
ontslag van rechtsvervolging.
Deze uitspraak is (tevens mondeling) gedaan te Woudenberg op 19 december 2019 door
mevrouw mr. M. voorzitter, mevrouw drs. N. en de heer O. in tegenwoordigheid van de heer
P., secretaris.
Mevrouw drs. N. en de heer O. zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
De voorzitter, De secretaris,
Mr. M. P.
Tuchtcollege voor de Kynologie, zaaknummer 19-063 Pagina 5 van 5